Artikel

Nummer 2019-276
Titel Bij de vijftigste verjaardag van het EEX
Bron NIPR 2019, p. 281-288
PDF /pdf/2019-276.pdf
Trefwoorden
Verordeningen
Verdragen
Artikel

Bij de vijftigste verjaardag van het EEX

P. Vlas*

Abstract

The Brussels Convention on Jurisdiction and the Enforcement of Foreign Judgments in Civil and Commercial Matters was concluded on 27 September 1968 and came into force on 1 February 1973. The 50th anniversary of the 1968 Convention is a good opportunity for assessing its importance for the development of European private international law (PIL). The Brussels Convention stood as a model for the EU Regulations dealing with jurisdiction and the enforcement of judgments (the Brussels I Regulation (no. 44/2001) and the Brussels Ibis Regulation (no. 1215/2012)). This article discusses the importance of the 1968 Convention and discusses some recent decisions of the European Court of Justice. Although the ECJ is the driving force for the development of European PIL, some decisions of the ECJ are unclear and give rise to the existence of a lawyer’s paradise. Special attention is paid to the Court’s decision of 4 October 2018 (C-337/17, Feniks/Azteca) in which the Court gave an extremely broad interpretation of the notion ‘obligations arising out of a contract’ within the meaning of Article 7(1)(a) of the Brussels Ibis Regulation. It is in the interest of the parties (and of the judiciary) that proceedings on questions of jurisdiction should not take too much time. Clear rules of jurisdiction are necessary. Despite some criticism, the Brussels Convention is a milestone in the development of European PIL.

1. Vijftig jaar terug

Op 27 september 1968 werd in Brussel het EEX-Verdrag gesloten tussen de oorspronkelijke zes lidstaten van de toenmalige Europese Economische Gemeenschap.1 De onderhandelingen waren in februari 1960 van start gegaan in het comité van deskundigen onder voorzitterschap van de Duitse hoogleraar A. Bülow met als rapporteur Paul Jenard, directeur bij het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken.2 De dag waarop het EEX-Verdrag is gesloten – 27 september – valt toevallig in België samen met de feestdag van de Franstalige gemeenschap, de dag waarop wordt herdacht dat in 1830 de patriotten de overwinning hebben behaald op de Nederlandse troepen in het Warandepark van Brussel. De totstandkoming van het EEX-Verdrag is gelukkig niet te beschouwen als een overwinning op de ‘Hollanders’. Ook Nederland was in het comité van deskundigen vertegenwoordigd in de persoon van mr. C.W. Dubbink, destijds raadsheer in de Hoge Raad, en jhr. Van Sasse van Ysselt, destijds directeur op het ministerie van Justitie, die Nederland in tal van internationale gremia vertegenwoordigde.3

Het EEX-Verdrag mag dan wel in 1968 zijn gesloten, het trad pas vijf jaar later op 1 februari 1973 in werking.4 Op 3 juni 1971 kwam in Luxemburg het Uitleggingsprotocol tot stand op grond waarvan het Hof van Justitie van de (toenmalige) EG prejudiciële uitleggingsbevoegdheid kreeg.5 Dit Protocol trad op 1 september 1975 in werking. Het EEX-Verdrag en ook het Uitleggingsprotocol zijn nadien vele malen aangepast. Die aanpassingen hielden verband met de toetreding van nieuwe staten tot de EG, waardoor ook een toetreding tot het EEX-Verdrag noodzakelijk was in de vorm van afzonderlijke toetredingsverdragen. Het eerste Toetredingsverdrag van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot het EEX-Verdrag dateert van 9 oktober 1978, dus ook al weer veertig jaar geleden.6 Overigens trad dit verdrag voor het Verenigd Koninkrijk pas op 1 januari 1987 in werking. Ik laat de komende ‘Brexit’ thans rusten en besteed ook geen aandacht aan alle historische gegevens over toetredingen en aanpassingen.7

Wel is de vraag gerechtvaardigd of de vijftigste verjaardag van het EEX-Verdrag een mijlpaal is waarbij stil moet worden gestaan.8 Is het EEX-Verdrag nog van belang? Het verdrag is toch in 2000 ‘omgezet’ in een verordening9 die op 1 maart 2002 in werking is getreden en die vervolgens in 2012 weer is gewijzigd door een nieuwe verordening? Deze laatste verordening – in het Brusselse jargon de ‘herschikking’ – is op 10 januari 2015 in werking getreden en geldt vandaag de dag nog voor alle 28 lidstaten van de Europese Unie.10 Waarom dan toch stil staan bij het (oude) EEX-Verdrag?

2. Belang van het EEX-Verdrag

De hierboven gestelde vraag zou ik kunnen beantwoorden door erop te wijzen dat het oude EEX-Verdrag nog steeds van kracht is voor bepaalde overzeese gebieden van de huidige lidstaten. Voor het Koninkrijk der Nederlanden is het EEX-Verdrag nog steeds van kracht voor het ‘land’ Aruba. Het verdrag geldt in de verhouding van Aruba tot de lidstaten van de EU die aan het EEX-Verdrag zijn gebonden (dus niet ten opzichte van de lidstaten die tot de EU toetraden op het moment dat het EEX-Verdrag reeds was vervangen door de EEX-Verordening).11 Een soortgelijke situatie doet zich voor ten aanzien van bepaalde overzeese gebieden en bijzondere territoria van Frankrijk.12 Maar dat is uiteraard niet de reden om bij de vijftigste verjaardag van het EEX-Verdrag stil te staan.

Veel belangrijker is het dat het EEX-Verdrag het eerste grote verdrag is geweest dat op het gebied van het internationaal privaatrecht is gesloten en dat niet alleen succesvol is geweest, maar ook als voorbeeld heeft gediend voor verdere Europese samenwerking op het gebied van het IPR. Voor veel bepalingen van internationaal-procesrechtelijke aard die wij aantreffen in de IPR-verordeningen die inmiddels in de EU tot stand zijn gebracht, heeft het EEX-Verdrag model gestaan. Ik wijs hier slechts op de toepassing van het EEX-Verdrag in burgerlijke en handelszaken, zoals omschreven in artikel 1 Verdrag. Die term ‘burgerlijke en handelszaken’ is opgenomen in andere verordeningen, zelfs in de verordeningen Rome I en Rome II die uitsluitend betrekking hebben op het bepalen van het toepasselijke recht.

3. EEX als ‘moederverdrag’

Zonder te overdrijven, zouden we kunnen zeggen dat het EEX-Verdrag een soort van ‘moederverdrag’ is waarop in de latere verordeningen is voortgebouwd. Voor zover die verordeningen betrekking hebben op het internationaal-privaatrechtelijke procesrecht, te weten op het bepalen van de rechtsmacht – de internationale bevoegdheid van de rechter – en op de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, worden de opvolgers van het EEX-Verdrag aangeduid met de naam ‘Brussel I’ en de huidige ‘herschikte’ verordening met de naam ‘Brussel I-bis’. Ik besef dat deze aanduidingen internationaal in zwang zijn geraakt, maar ik geef voor Nederlands gebruik de voorkeur aan de naam ‘EEX-Verordening’, omdat EEX in de Nederlandse rechtspraktijk de ingeburgerde afkorting is en daarmee ook tot uitdrukking wordt gebracht dat er een vloeiende lijn bestaat tussen het oorspronkelijke EEX-Verdrag en zijn opvolgers. Er bestaat, zo drukt de considerans van de EEX-Verordening het uit, continuïteit tussen Verdrag en Verordening.13 Ook het Hof van Justitie van de EU benadrukt in diverse uitspraken het bestaan van die continuïteit.14 Voor de uitleggingsbevoegdheid van het Hof is thans geen afzonderlijk Uitleggingsprotocol nodig, maar volgt de bevoegdheid uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de EU. Op de uitleg van begrippen in de EEX-Verordening die reeds in het EEX-Verdrag waren opgenomen en waarover het Hof al eerder in een prejudiciële beslissing zijn licht had laten schijnen, grijpt het Hof regelmatig terug. Op die manier wordt gezorgd voor continuïteit.

4. Rechtspraak van het HvJEU: burgerlijke en handelszaken

De rechtspraak van het Hof van Justitie is van groot belang voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het gebied van het Europese IPR. Kort na het inwerkingtreden van het Uitleggingsprotocol op 1 september 1975 kreeg het Hof te oordelen over de vraag wat moet worden verstaan onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1 EEX-Verdrag. In zijn beslissing van 14 oktober 1976 (Eurocontrol/LTU)15 heeft het Hof geoordeeld dat deze term niet volgens het recht van de ene of de andere betrokken staat moest worden uitgelegd, maar ‘aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van het Verdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden’. Het Hof kwam tot de slotsom dat het EEX-Verdrag niet van toepassing was op een geschil tussen een overheidsinstantie en een particulier, wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid heeft gehandeld. Sedertdien is dit vaste rechtspraak.

De passage over de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden, is ook nadien regelmatig herhaald.16 Het vinden van een grootste gemene deler van de rechtsstelsels was al een klus bij een uit zes lidstaten bestaande gemeenschap – lidstaten die nota bene alle tot de rechtsfamilie van de civil law behoorden –, maar bij een uitgebreide Unie van 28 (of na de Brexit: 27) lidstaten met ook lidstaten die behoren tot de rechtsfamilie van de common law, is dat eigenlijk een onuitvoerbare opdracht.

In een uitspraak van het Hof van Justitie van 9 maart 2017 is deze vaste rechtspraak opnieuw herhaald.17 We zien in die uitspraak een tendens van het Hof om zoveel mogelijk geschillen onder het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening te laten vallen. Wat was er in die zaak aan de hand? Het betreft een beslissing op verzoek van een Kroatische rechter (Kroatië is op 1 juli 2013 lid geworden van de EU). De in Duitsland woonachtige Sven Klaus Tederahn parkeert in de stad Pula aan de Kroatische kust zijn auto op een openbaar parkeerterrein waarvoor betaald moet worden. De stad Pula heeft bij gemeentelijke verordening het parkeren in de stad geregeld. Het parkeerterrein wordt beheerd door Pula Parking, een vennootschap waarvan de stad Pula enig aandeelhouder is. Onze automobilist krijgt een parkeerticket uitgereikt, maar bij vertrek rijdt hij weg zonder te betalen. Kennelijk is het geen afgesloten parkeerterrein. Op het parkeerticket staat vermeld dat een parkeerovereenkomst is gesloten en dat betaling binnen acht dagen na de uitreiking van het ticket moet volgen. Wanneer betaling achterwege blijft, stapt Pula Parking naar een Kroatische notaris die een dwangbevel tot betaling van het wereldbedrag van € 13,00 uitvaardigt (de rol van de Kroatische notaris berust op Kroatisch recht en laat ik verder buiten beschouwing). De Duitse automobilist tekent bij de Kroatische rechter verzet aan tegen dit dwangbevel en betoogt onder meer dat de zaak niet valt onder het materiële toepassingsgebied van de (herschikte) EEX-Verordening.

Het Hof van Justitie herhaalt zijn vaste rechtspraak over de uitleg van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ en overweegt dat moet worden onderzocht wat de rechtsbetrekking is tussen de partijen bij het geschil en welke specifieke regels daarvoor gelden. Volgens het Hof ontleent Pula Parking haar bevoegdheden aan een overheidsbesluit, maar van uitoefening van overheidsprerogatieven door de stad Pula of door Pula Parking is niet gebleken. Het Hof overweegt dat de onbetaald gebleven parkeerschuld van contractuele aard is, terwijl de inning van het parkeergeld is onderworpen aan ‘gemeenrechtelijke voorschriften die van toepassing zijn in de verhoudingen tussen particulieren’ (punt 35). Er was ook geen parkeerboete opgelegd, zodat de rechtsverhouding tussen Pula Parking en de Duitse automobilist moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke rechtsverhouding en dus valt onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’.

In de Duitse literatuur is op deze uitspraak kritiek geuit: is door het parkeren op een openbaar parkeerterrein een overeenkomst gesloten?, is het bestaan van een overeenkomst tussen een overheidsorgaan en een particulier al voldoende om te spreken van een burgerlijke en handelszaak?, wordt het de overheid op deze wijze niet erg eenvoudig gemaakt om de inning van haar vorderingen te privatiseren?18 Wat hiervan ook zij, de Pula-beslissing ligt in de lijn van de vaste rechtspraak.

5. HvJEU als motor

Ongetwijfeld treedt het Hof van Justitie op als motor van de ontwikkeling van het Europese IPR. Zo werden in 2018 al meer dan 30 beslissingen gewezen over de uitleg van de Europese verordeningen op IPR-gebied, waarvan ongeveer de helft betrekking heeft op de EEX-Verordening. Dat wil niet zeggen dat alle uitspraken altijd even interessant zijn of even duidelijk. In het verleden is wel eens bepleit dat wij een nieuw Hof van Justitie nodig hebben om de uitspraken van het bestaande Hof te interpreteren.19 Als we de uitspraken van het Hof van Justitie van de laatste paar jaar bezien, dan is mijn waarneming dat het Hof steeds meer overlaat aan de nationale – verwijzende – rechter om de knoop over de toepassing van de EEX-Verordening (of van andere verordeningen) door te hakken. Het Hof geeft richtsnoeren en gezichtspunten. Ik noem bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van 7 december 2010 in de gevoegde zaken Pammer en Hotel Alpenhof over de uitleg van het begrip consumententransacties die via het internet zijn gesloten.20 Voor de vraag of een activiteit ‘gericht is op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft’ worden veel aanwijzingen gegeven en is het uiteindelijk aan de nationale rechter om te bepalen of er sprake is van een consumententransactie in de zin van de consumentenbepalingen van de EEX-Verordening. In andere beslissingen zien we ook dat het Hof zich bijna als een feitenrechter opstelt. Zonder hier verder op in te gaan, noem ik als voorbeeld de recente, hoogst feitelijke uitspraken over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van kinderen in het kader van de Verordening Brussel II-bis.21

6. Uitlegperikelen: forum contractus van artikel 7 punt 1 EEX-Verordening

De bepaling die zonder meer met stip op de eerste tree van de uitlegladder staat, is het forum contractus van artikel 7 punt 1 EEX-Verordening. Over de voorloper daarvan, artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag, verscheen ook al snel nadat het Hof van Justitie uitleggingsbevoegdheid over het EEX-Verdrag had gekregen, de eerste prejudiciële beslissing op 6 oktober 1976 in de zaak Tessili/Dunlop.22 Het Hof besliste dat de plaats van uitvoering van de contractuele verbintenis van artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag moest worden bepaald aan de hand van het conflictenrecht van de aangezochte rechter. In de beslissing De Bloos/Bouyer van dezelfde dag werd beslist dat het bij de verbintenis uit overeenkomst moest gaan om de contractuele verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt (de verbintenis in geschil).23 Met deze twee beslissingen kwam een stroom aan jurisprudentie over artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag (en thans artikel 7 punt 1 EEX-Verordening) op gang en deze stroom vloeit nog altijd rijkelijk voort.24

Duidelijk is dat vooral rechterlijke colleges van nieuwe lidstaten die nog niet zo heel lang met de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening vertrouwd zijn en waarvoor dus ook het forum contractus nieuw is, worstelen met het toepassingsgebied van deze bepaling. Soms leidt dit tot uitspraken van het Hof waarin de grenzen van artikel 7 punt 1 EEX-Verordening wel heel ruim worden getrokken.

Ik noem hier de uitspraak van 4 oktober 2018 inzake Feniks/Azteca Products, waarin de Poolse rechter vragen van uitleg aan het Hof van Justitie heeft gesteld.25 In het kort ging de zaak over het volgende. Een Poolse vennootschap Coliseum sloot een overeenkomst met een eveneens in Polen gevestigde vennootschap Feniks voor een investeringsproject in Gdansk in Polen. Toen Coliseum haar verplichtingen jegens haar onderaannemers niet nakwam, was Feniks krachtens het toepasselijke Poolse recht gehouden die onderaannemers te betalen. Vervolgens verkocht Coliseum een in Polen gelegen onroerend goed aan Azteca, een Spaanse vennootschap. Feniks is achter deze transactie gekomen en heeft bij de Poolse rechter de nietigheid van deze koopovereenkomst ingeroepen. Is de Poolse rechter bevoegd? Ja, zegt Feniks, op grond van het forum contractus van artikel 7 punt 1, onder a, EEX-Verordening. Nee, betoogt Azteca, want de Spaanse rechter is bevoegd als rechter van de woonplaats van Azteca.

Het Hof van Justitie haalt de doelstelling van de EEX-Verordening aan, namelijk het nastreven van rechtszekerheid en het vergroten van de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen ‘door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen’. Het Hof is van oordeel dat zowel het verhaalsrecht van Feniks op het vermogen van haar schuldenaar (Coliseum) als de ingestelde actio pauliana van de door Coliseum met een derde (te weten Azteca) gesloten koopovereenkomst – en ik citeer – ‘voortvloeien uit verbintenissen die Coliseum vrijwillig is aangegaan tegenover Feniks bij de sluiting van (…) de overeenkomst voor werken’. En het Hof vervolgt in punt 43:

‘Met deze vordering beoogt de schuldeiser immers vast te stellen dat de verkoop door de schuldenaar van activa aan een derde heeft plaatsgevonden ten koste van de rechten van de schuldenaar die voortvloeien uit de bindende kracht van de overeenkomst en overeenstemmen met verplichtingen die zijn schuldenaar vrijwillig is aangegaan. De grondslag van deze vordering berust derhalve in essentie in de schending van verplichtingen die de schuldenaar tegenover de schuldeiser is aangegaan’.

Het Hof komt tot de slotsom dat de ingestelde actio pauliana tegen de derde aanhangig kan worden gemaakt bij de Poolse rechter op grond van artikel 7, punt 1, onder a, EEX-Verordening. Als klap op de vuurpijl overweegt het Hof ook nog dat deze conclusie beantwoordt aan de doelstelling van voorzienbaarheid, ook omdat iemand die beroepsmatig een koopovereenkomst met betrekking tot onroerend goed sluit – en ik citeer uit punt 47 –:

‘redelijkerwijs mag verwachten te worden opgeroepen voor een gerecht van de plaats van uitvoering van verplichtingen van zijn medecontractant tegenover een schuldeiser, wanneer deze schuldeiser aanvoert dat deze overeenkomst onrechtmatig belemmert dat de medecontractant zijn verplichtingen tegenover die schuldeiser nakomt’.

Ik val niet snel van verbazing van mijn stoel, maar ik moet bekennen dat ik bij lezing van dit arrest moeite had om op mijn stoel te blijven zitten. Hier trekt het Hof de grenzen van het forum contractus toch wel erg ruim en lijkt het erop alsof het Hof een eigen EEX-bevoegdheidsregeling aan het scheppen is.

7. EEX en de buitenwereld

Wanneer de bevoegdheidsbepalingen van het EEX steeds verder worden opgerekt, ontstaat niet alleen het gevaar dat dit ten koste gaat van de algemene bevoegdheidsbepaling van artikel 4 EEX-Verordening (kort gezegd, de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de gedaagde), maar ook dat de erkenningskansen van de rechterlijke beslissing in derde staten (niet-lidstaten) slinken. Het forum actoris wordt internationaal immers beschouwd als een exorbitant forum. Het EEX-Verdrag heeft zich van oudsher niet zo heel veel aangetrokken van de buitenwereld. Ik roep in herinnering de Amerikaanse kritiek die werd gegeven bij de totstandkoming van het EEX-Verdrag, namelijk dat een beslissing van de rechter van een EEX-Staat tegen een buiten het EEX-gebied gevestigde gedaagde waarbij de bevoegdheid van de rechter krachtens artikel 6 EEX-Verordening (artikel 4 EEX-Verdrag) is gebaseerd op een exorbitante bepaling van het eigen recht (te weten het forum actoris en het forum arresti), vrij kan circuleren binnen het gehele EEX-gebied.26 De opvolgers van het EEX-Verdrag hebben op dit punt geen wijziging gebracht. Zou het niet tijd worden om meer met de wereld buiten het EEX-gebied rekening te houden en te streven naar beperking van het aantal bevoegdheidsgronden, of althans de bevoegdheden die volgens het EEX bestaan niet eindeloos op te rekken?

In dat verband wil ik ook wijzen op de vraag of het niet tijd wordt de reflexwerking van de exclusieve bevoegdheden van (thans) artikel 24 EEX-Verordening serieus te nemen. Zou het niet logisch zijn om aan te nemen dat de rechter van een lidstaat onbevoegd is om kennis te nemen van een geschil bijvoorbeeld over zakelijke rechten op een buiten het EEX-gebied gelegen onroerende zaak?27 Zou die zaak in een lidstaat zijn gelegen, dan bepaalt artikel 24 punt 1 EEX-Verordening dat uitsluitend de gerechten van de lidstaat van ligging van de onroerende zaak bevoegd zijn. Tot nu toe staat het Hof van Justitie reflexwerking niet toe en wordt deze evenmin in de Nederlandse rechtspraak aangenomen, maar de ratio die aan de exclusieve bevoegdheden van artikel 24 EEX-Verordening ten grondslag ligt – een Gleichlauf tussen bevoegde rechter en het door deze rechter toe te passen recht – geldt toch zeker ook in de gevallen waarin het onderwerp van het geschil op dezelfde materie betrekking heeft, maar in dit geval buiten het EEX-gebied is gelegen?

8. Blik op de toekomst

Ik rond af. Het EEX-Verdrag is zonder meer een buitengewoon succesvol verdrag te noemen. Het heeft de basis gelegd voor vrij verkeer van vonnissen in Europa. Het heeft ook de basis gelegd voor een verdere eenmaking van het internationaal privaatrecht in de huidige EU. Nieuwe verordeningen hebben dankbaar gebruik gemaakt van het EEX-model. Dat model is echter vooral bedoeld voor het interne EU-verkeer en de buitenwereld is daarbij wat versloft. In de verdere uitbouw van het Europese bevoegdheids- en executierecht heeft het Hof van Justitie een belangrijke rol vervuld en treedt het Hof nog steeds op als hoeder van de rechtseenheid. Daarvoor betalen wij wel een prijs. Het Hof overweegt steeds dat artikel 7 EEX-Verordening strikt moet worden uitgelegd in verband met de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid, maar rekt tegelijkertijd de bepaling zodanig op dat dit weer leidt tot onvoorspelbaarheid en procedures.

Wie de rechtspraak op IPR-gebied bijhoudt, zal constateren dat er veel meer procedures over internationaal procesrecht worden gevoerd dan over het materiële internationaal privaatrecht, het conflictenrecht. Er is steeds meer tijd gemoeid met het beantwoorden van de vraag of de rechter bevoegd is om van het internationale geschil kennis te nemen en dat is geen goede zaak. Over internationale bevoegdheid moet niet jaren worden geprocedeerd (tot aan het Hof van Justitie aan toe), om dan vervolgens pas later aan de inhoud van de zaak zelf toe te komen. Dat is niet alleen een lastenverzwaring voor de burgers van de EU, maar ook voor de rechterlijke macht. Het EEX mag niet verworden tot een ‘lawyer’s paradise’. Het is niet in mineur dat ik wil eindigen. Het EEX-Verdrag heeft de basis gelegd voor één groot procesterritoir in Europa. Het verdrag is een impuls geweest voor de beoefening van het IPR in Europa en heeft de beoefenaren van het IPR met elkaar in contact gebracht, meer dan ooit het geval is geweest. En ook dat is zeker winst.

Notes

* Prof. mr. dr. P. Vlas is advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden; hoogleraar internationaal privaatrecht en rechtsvergelijking, Vrije Universiteit Amsterdam; voorzitter van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht. Deze bijdrage is een bewerkte versie van een op 26 november 2018 te Den Haag gehouden voordracht op het door de Universiteit Maastricht en de Rijksuniversiteit Groningen georganiseerde symposium ter gelegenheid van vijftig jaar EEX.

1 Voluit: Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1969, 101 (hierna: EEX-Verdrag).

2 In het toelichtend rapport op het EEX-Verdrag van Paul Jenard is in het kort aandacht besteed aan de voorbereidende werkzaamheden van het Comité van deskundigen. De tekst van het Rapport-Jenard is gepubliceerd in PbEG 1979, C 59/1, alsmede opgenomen in Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, onderdeel Toelichtende Rapporten.

3 De samenstelling van het Comité van deskundigen is opgenomen in PbEG 1979, C 59/65. Zie ook A.V.M. Struycken, ‘In memoriam jhr. mr. Th.K.M.J. van Sasse van Ysselt’, NIPR 2005, p. 1-3.

4 Zie Trb. 1973, 2.

5 Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 (…), Trb. 1971, 140.

6 Zie Trb. 1978, 175.

7 Een overzicht van alle toetredingen en aanpassingen is te vinden in P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, onderdeel EEX-Verdrag.

8 Zie ook het themanummer ‘Cinquantenaire de la Convention de Bruxelles du 27 september 1968’, Rev. Crit. DIP 2018/3, p. 409-579.

9 Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.

10 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.

11 Zie P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, art. 60 EEX-Verdrag.

12 Zie o.a. Francisco Garcimartin, ‘Les instruments de Bruxelles: le passé, le présent et…l’avenir’, Rev. Crit. DIP 2018/3, p. 473.

13 Zie punt 34 van de Considerans van de ‘herschikte’ EEX-Verordening (nr. 1215/2012).

14 Zie bijv. HvJEU 31 mei 2018, zaak C-306/17, ECLI:EU:C:2018:360, NJ 2018/286, NIPR 2018, 292 (Nothartová/Boldizsár), punt 18.

15 HvJEG 14 oktober 1976, zaak 29/76, Jur. 1976, p. 1541, NJ 1982/95, m.nt. J.C. Schultsz.

16 Zie ook HvJEU 15 november 2018, zaak C-308/17, ECLI:EU:C:2018:911, NIPR 2019, 189 (Hellenische Republik/Leo Kuhn), punt 32.

17 HvJEU 9 maart 2017, zaak C-551/15, ECLI:EU:C:2017:193, RvdW 2017/759, NIPR 2017, 193 (Pula Parking/Tederahn).

18 Zie Burkhard Hess, The Private-Public Divide in International Dispute Resolution, The Hague Academy of International Law, Leiden: Brill/Nijhoff 2018, p. 81.

19 Aldus J.P. Verheul in zijn noot bij HvJEG 26 mei 1982, zaak 133/81 (Ivenel/Schwab), NILR 1983, p. 251: ‘(…) it appears that a second court is needed, which “shall have jurisdiction to give rulings on the interpretation” of the decisions of the Court of Justice of the EC’.

20 HvJEU 7 december 2010, zaak C-585/08 en C-144/09, ECLI:EU:C:2010:740, NJ 2011/16, m.nt. M.V. Polak, NIPR 2011, 78 (Pammer en Hotel Alpenhof).

21 Zie bijv. HvJEU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513, NJ 2018/407, NIPR 2018, 231 (HR/KO) in het kader van het bepalen van de gewone verblijfplaats van een zuigeling in de zin van art. 8 Verordening Brussel II-bis.

22 HvJEG 6 oktober 1976, zaak 12/76, Jur. 1976, p. 1473, NJ 1977/169.

23 HvJEG 6 oktober 1976, zaak 14/76, Jur. 1976, p. 1497, NJ 1977/170, m.nt. J.C. Schultsz.

24 Door de grote hoeveelheid van uitlegvragen is in het verleden afschaffing van deze bevoegdheidsbepaling bepleit, zie G.A.L. Droz, ‘Delendum est forum contractus?’, Recueil Dalloz 1997, p. 351-356.

25 HvJEU 4 oktober 2018, zaak C-337/17, ECLI:EU:C:2018:805, NIPR 2018, 424.

26 Zie o.a. K. Nadelmann, ‘Jurisdictionally Improper Fora in Treaties on Recognition of Judgments: the Common Market Draft’, Columbia Law Review 1967, p. 995-1023, en dezelfde auteur, ‘The Outer World and the Common Market Experts’ Draft Convention on Recognition of Judgments’, Common Market Law Review 1967-1968, p. 409-420.

27 Zie ook Andrea Bonomi, ‘50 ans de Convention de Bruxelles: “ce n’est qu’un début, continuons le combat”!’, Rev. Crit. DIP 2018/3, p. 469-470.